Projecten

Welkom op de website van het Bloesem project in Nijlen. Hier vind je alles en meer over het project. Je kan ons altijd contacteren via bloesem@zusters-berlaar.be of 0474 72 57 61.

Bloesem

Bloesem

Wat omvat het project

Het Bloesem-project richt zich op het ondersteunen en coachen van oudere volwassen in wat ze zelf kunnen en beslissen. Niet in hun plaats, samen met hen. Daarom richten we ons ook naar iedereen van Nijlen en de brede omgeving om lid te worden van ons project en daarbij, waar het kan, een handje te helpen. Het is alleen maar samen dat we ervoor kunnen zorgen dat ook en vooral oudere volwassenen met een psychische kwetsbaarheid, helemaal “mens” kunnen zijn. Het volledige project kan je hieronder nalezen. Het bloesemproject bestaat uit de deelprojecten HOME-COSI 1, HERMIND en PANIEK EFE NI

Het bloesem-project

Algemeen

Het project werd opgestart met een acroniem: BLOSHOM, wat staat voor Bevordering van Levenswaarde bij Ouderen door Samenwerking, Holisme en het opbouwen van Mentale capaciteit. Het betekent ook openbloeien, en in die zin kwam het idee om met de benaming bloesem te werken. Het ultieme doel is immers om oudere volwassenen met een psychsiche kwetsbaarheid zodanig te ondersteunen dat hun mentale capaciteit verhoogt en ze kunnen “bloesemen”, wat metoforisch betekent meer levenwaarde verwerven. Bloesem werkt met een uitgebreid projectmodel, gebaseerd op het PRECEDE/PROCEED planningsmodel uit de gezondheidsbevordering.

Achtergrond

Geestelijke gezondheidsproblemen en psychische kwetsbaarheid bij ouderen komen veel voor. Ze zorgen daarbij voor een grotere impact op de algemene gezondheidsstatus van deze personen dan chronische somatische aandoeningen (1-3). De meest voorkomende geestelijke gezondheidsproblemen bij ouderen zijn angst en depressie, maar ook psychotische belevingen en schadelijke persoonlijkheidsdynamieken mogen niet aan de aandacht ontsnappen (1, 2).

Epidemiologisch rapporteren verschillende studies een verhoogde prevalentie bij ouderen, maar heterogeniteit tussen de verschillende studies maakt vergelijkingen moeilijk, onder meer door het gebruik van verschillende meetinstrumenten. Een recente meta-analyse rapporteert een gemiddelde wereldwijde prevalentie voor depressie van 31,74% (leeftijdsrange 50-99 jaar) (3). In Vlaanderen kunnen we ons baseren op de meest recente cijfers van de Belgische gezondheidsenquête. In 2018 waren 21,9% van de Vlamingen in de leeftijdsklassen 65-74 jaar psychisch onwel, voor vijfenzeventigplussers was dit 30,3%. Geestelijke gezondheidsproblemen van alle aard doen zich voor bij 11,6% van de 65-plussers, bij 75+ stijgt dit naar 17,1%, een belangrijk deel daarvan bestaat uit stemmingsstoornissen (4,3% tot 7,5% respectievelijk). In belangrijke mate lijkt dit geremedieerd te worden met farmacotherapie. Een vijfde van de 65-plussers nam slaap- en/of kalmeermiddelen, terwijl dit stijgt tot één op drie bij de 75-plussers. Antidepressiva werden genomen door 10,3% van de Vlaamse 65-plussers en 8,8% van de 75-plussers.
Een belangrijk deel van de personen boven de 65 jaar is voor deze problemen niet naar een gezondheidsprofessional gegaan, dit aandeel bedraagt 30% (4).

Specifiek binnen woonzorgcentra zien we een toename van opnames en opnamevragen van het aantal personen met een psychische kwetsbaarheid en/of psychiatrische stoornis. Deels door de demografische evolutie maar eveneens als gevolg van het afbouwen van psychiatrische bedden binnen de volwassenenpsychiatrie wordt op deze manier de eerste lijn en de woonzorgsector geconfronteerd met hulpvragen die aangepaste aandacht en expertise vragen. Tegelijkertijd blijven sommige zorgvragen onbeantwoord. Met name depressie en angst worden niet altijd onderkend bij ouderen. Depressieve gevoelens worden nog altijd gezien als horende bij het ouder worden, niettegenstaande de hoge lijdensdruk die angst en depressie teweegbrengen bij deze kwetsbare doelgroep (3, 5).

Zoals in de cijfers van de gezondheidsenquête naar voor komt, overheerst in Vlaanderen voor de aanpak van psychische klachten de biomedische benadering. Een benadering die zeker haar verdiensten heeft, maar ook, en zeker zo bij ouderen, zijn nadelen. Behandeling met psychofarmaca geeft meer en ernstige bijwerkingen, niet enkel op somatisch, maar zeker ook op cognitief vlak. Hoe kwetsbaarder ouderen zijn, zoals in een woonzorgcentrum, hoe meer impact van psychofarmaca (6, 7). Onderzoekers pleiten dan ook voor het monitoren en eventueel afbouwen van medicatie bij gestabiliseerde ziektebeelden (7, 8).

In de literatuur wordt echter relatief weinig aandacht geschonken aan ouderen met een psychische kwetsbaarheid, hoewel de laatste jaren de aandacht wel is toegenomen (3). In deze publicaties wordt steevast gewezen op het belang van wetenschappelijk onderzoek bij ouderen(3, 7). Ouderen zijn ook een doelgroep die ondervertegenwoordigd zijn in klinische trials met psychofarmaca (9). Als gevolg daarvan zijn er te weinig wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor de aanpak van psychische kwetsbaarheid/psychiatrische stoornissen bij ouderen. De klinische praktijk verschilt ook vaak van de wetenschappelijke inzichten (bv. het gebruik van haloperidol bij delier) (10, 11).

De zorg voor ouderen met een psychische kwetsbaarheid blijft vaak reactief. De preventiestrategieën die ontwikkeld en geïmplementeerd worden zijn vaak persoons- en pathologie gericht en situeren zich dus eerder binnen de selectieve en geïndiceerde preventie, of vertrekken vaak vanuit intramurale sectorspecifieke instituten. Universele strategieën en gezondheidsbevorderende initiatieven worden veel minder geïmplementeerd (12).

Rationale

Geestelijke gezondheid bij ouderen is een complex, multifactorieel bepaald construct. Vanuit de idealistische definities van gezondheid (13) en geestelijke gezondheid (14) van de WHO worden te weinig houvasten geboden ten overstaan van de meer gerichte en specifieke instrumenten en strategieën die hun oorsprong vinden in een biomedisch/cognitief-gedragsmatig paradigma. Recente literatuur pleit echter, op basis van bestaande data en onderzoeken, voor het loskoppelen van interventies van ziektebeelden en ze meer te richten op zingeving, behoud van autonomie en kwaliteit van leven (15). Vanuit preventief oogpunt is dit een startpunt waarbij relatief meer middelen voor een grote groep waar zich (nog) geen stoornissen hebben ontwikkeld of gericht of meer protectieve en functiebehoudende factoren (12). Wat uiteraard geenszins wil zeggen dat oudere personen met een psychische kwetsbaarheid of een gediagnosticeerde stoornis niet de aandacht moeten krijgen die ze nodig hebben vanuit een persoonsgerichte benadering, met inbegrip van niet-farmacologische interventies. We kunnen ons hierbij laten leiden door het equity-principe in zowel gezondheidsbevorderende als remediërende interventies. Meer middelen worden ingezet voor kwetsbare groepen om hetzelfde (gezondheids-)doel te bereiken (16).

De expertise voor het benaderen en behandelen van oudere personen met een psychische kwetsbaarheid zit voornamelijk geconcentreerd in categoriale voorzieningen. Vanuit theoretisch oogpunt en gesteund door wetenschappelijke inzichten is echter aan te raden te werken vanuit een collaboratief en geïntegreerd model op lokaal niveau (12, 17). Het onderscheid lichaam/geest, somatisch/psychiatrische zorg, vervalt bij ouderen grotendeels, er is verregaande interactie tussen somatische en psychische dimensies, en bij uitbreiding sociale, socio-economische, maatschappelijke en spirituele dimensies . Het verband tussen geestelijke en somatische gezondheid is uitvoerig beschreven. Nagenoeg 98% van ouderen met een ernstige psychiatrische problematiek vertoont ook ernstige somatische klachten. Het is tevens uitvoerig beschreven dat chronische gezondheidsproblemen bijdragen tot het ontstaan van psychische en cognitieve problemen.

Maatschappelijk gezien bestaan er nog veel vooroordelen over psychische kwetsbaarheid/psychiatrische stoornissen. Gedrag/symptomen worden vaak onbegrepen, wat leidt tot onderdiagnose en subadequate behandeling. Reeds eerder werd aangegeven dat een groot deel van ouderen niet naar de huisarts gaat wanneer ze onwelbevinden ervaren. Tevens wordt, wanneer er wel een huisartsconsult plaatsvindt, in een derde van de gevallen niet of niet de juiste diagnose gesteld, omdat de presentatie van het ziektebeeld anders is bij ouderen. Bij depressie bijvoorbeeld is de uitingsvorm meer somatische klachten, minder affectieve klachten, meer angstklachten (5). Dit laatste leidt dan vaak tot het voorschrijven van benzodiazepines, wat cognitieve deterioratie in de hand werkt (7). De diagnose op zich wordt dus niet zelden gemist, tevens blijkt uit onderzoek dat een derde tot de helft van ouderen met (ernstige) depressieve klachten ook psychotische symptomen vertonen (18). Hier spreekt de literatuur over een misdiagnose in 27% van de gevallen bij ouderen, zelfs in universitaire centra (19). Het bestaan van zelfstigma en stigma blijkt dus ook bij ouderen zeker een aandachtspunt te zijn.

Het woonzorgcentrum van de 21e eeuw kent een hele evolutie vanuit een instituut dat oudere personen opvangt in hun laatste levensfase tot een centrale ontmoetingsplaats binnen de gemeenschap. Niet in het minst voor personen boven de 65 jaar. De woonzorgcampus (inclusief assistentiewoningen, lokaal dienstencentrum en buurtzorg) kan daarbij een belangrijke plaats in nemen in het aanpakken en coördineren van interventies gericht op het verhogen van de levenskwaliteit van oudere inwoners. Hierbij breekt het woonzorgcentrum uit de bestaande muren en betrekt het de hele gemeenschap en verschillende generaties in haar inspanningen. Dit verhindert op zich grotendeels het ontstaan of verder bestaan van ageism. Het tegengaan van ageism is één van de vier actiethema’s binnen ‘the decade of healthy ageing (2021-2030) van de UN en de WHO. Door de betrokken oudere mee regie en autonomie te geven over de eigen leefomgeving, leidt dit tot gedragen interventies en een hogere kwaliteit van leven. Het brengen van levenswaarde door het bieden van autonomie en het ondersteunen van integriteit zijn voorname einddoelen hierbij. Voorwaarde hiervoor is een gedragen visie en missie en deskundig personeel. Dit alles zou ook kunnen bijdragen tot een meer positieve beeldvorming van de woonzorgsector.

Een programma gericht op dit uiteindelijke doel bestaat uit een interventiemix gericht op de belangrijkste determinanten van psychisch welbevinden, die zich situeren op de eerdergenoemde dimensies. Ook vanuit de literatuur wordt opgeroepen tot een holistische benadering van de individuele zorgvrager (in spe) en de bevolking in zijn algemeenheid (levensloopbenadering). Een recent gezamenlijk statement van EuroHealthNet pleit voor een ‘mental health in all policies’ aanpak, waarbij precies wordt aangehaald dat het gelijktijdig inwerken op veranderbare determinanten de meest succesvolle weg te volgen is. De implementatie van dergelijke programma’s is echter schaars door eerder aangehaalde barrières (ziektegerichtheid, diagnose-specifieke interventies, …).

Voor de implementatie van grotere programma’s kunnen we uit de literatuur volgende succesfactoren opsommen:

  1. Coherentie: alle interventies passen binnen de vooropgestelde algemene doelen en praktijken;
  2. Cognitieve participatie: alle stakeholders zijn actief geëngageerd om het programma mee te dragen;
  3. Collectieve actie: een betrokken en flexibele aanpak die rekening houdt met de behoeften en capaciteiten van de participanten;
  4. Informele en ad-hoc afname van procesvariabelen
  5. Een ondersteunende politico-administratieve context. (20)
  6. Blijvende hulpbronnen (financieel, logistiek) en opleiding;
  7. Expliciete aandacht voor ethische aspecten;
  8. Beleidsverandering in functie van verankering. (21)
  9. Werken vanuit een partnership met de verschillende stakeholders;
  10. Het gebruik van een gestructureerd planningsmodel;
  11. Lokale coördinatie en consultatiemogelijkheden;
  12. Gemeenschapsbreed en overheen verschillende instellingen
  13. Een omvattend, logisch evaluatieframework. (22)

Het gehele BLOSHOM-project wordt dan ook beschouwd als een implementatie-onderzoeksproject. Hierbij worden procesparameters gemeten die de effectiviteit en efficiëntie van de verschillende deelprojecten weergeven. Tevens wordt de coherentie van het totale programma als een integraal geheel opgevolgd.

Wie werken mee aan het project?

Jo Sels – instellingspromotor
Prof. dr. Kris van den Broeck – promotor
Tom Vermeulen – projectcoördinator
Lien Du Four – Schepen sociale zaken gemeente Nijlen
Prof. dr. Margo Annemans – co-promotor
Annelies Pieters – Coördinator LDC, buurtzorg, ergotherapeute